|
Wim Kersten ('s-Hertogenbosch 14 augustus 1924 - 's-Hertogenbosch 16 oktober 2001) was een Nederlandse tekstschrijver. Hij werd vooral bekend door zijn carnavalskrakers.
Zijn grootste hits waren Bij ons staat op de keukendeur (1969), Op woensdagmorgen (krijg je rooie rozen) (1976) en Bloemetjesgordijn (1980). Dit laatste nummer bereikte nummer 22 in de Top 40. Toen in 1975 een wedstrijd werd uitgeschreven ter gelegenheid van de viering van het 700-jarig bestaan van Amsterdam, werd Kersten eerste met Er is een Amsterdammer doodgegaan, dat door onder andere Johny Kraaijkamp en Manke Nelis is vertolkt.
Kersten was gehuwd met Rietje Mulders. Hij bleef zijn hele leven in zijn geboorteplaats wonen, waar hij een schoenenzaak uitbaatte.
Kersten schreef over alle dag met af en toe een klein moraaltje. Hij heeft een nieuwe traditie toegevoegd : de typische Oeteldonkse carnavalsound. Hij kan hij terecht ‘de Vader van het Oeteldonkse lied’ worden genoemd.
De voormalige bescheiden en humorvolle schoenwinkelier [tot 1-1-1988] uit de Kerkstraat 41, waagde zich op aandringen van Theo Trimbosch in 1960 aan deelname aan het Oeteldonks Kwekfestijn. Met 'Ge moet het vuule' werd het een tweede plaats. Pas in 1963 scoorde hij als eerste en later [Keukendeur] nog eens als tweede. Als de Twee Pinten zong hij jaren achtereen, eerst met Joep Peeters [1963-1968] toen vijf jaar solo en vanaf 1973 met Mari van de Velden en Tony Faes als 'De Viltjes'.
Voor zijn succes heeft hij nimmer zijn schoenenzaak willen opgeven.
Kersten schreef tientallen liedjes en bracht naast elpee's ook een cd uit. 'Bij ons staat op de Keukendeur' [1969], 'Woensdagmorgen krijg je rode rozen' [1976], 'Een bloemetjes gordijn' en ook 'Er is een Amsterdammer doodgegaan' [1e prijs A'dam liedjesfestival], 'Onze Kleine St.Jan' sloeg op de kathedraal in Madurodam. Sommigen werden zelfs in het buitenland uitgebracht.
De op en top Bosschenaar, die zich alleen hier thuis voelde, ontving voor zijn verdiensten de Culturele stadspenning van 's-Hertogenbosch [1996], voor zijn inzet voor Oeteldonk [o.a. het bejaardencarnaval]: de Moeder Truus Pofffer [1990], en Theater aan de Parade eerde hem met een borstbeeld, Kersten figureerde ooit ook als Moeder Hendrien. In 1988 kreeg hij als tekstschrijver de Edison [1988] uitgereikt en tien jaar later de Falco Vegelinprijs.
Wim Kersten was geen cosmopoliet. Eind 1980 werd hij door PSV uitgenodigd voor de finale van het EK voetbal in München, Wim zou er een lied voor schrijven: ’De Cup met de grote oren’. Maar zijn paspoort bleek al dertig jaar te zijn verlopen. Wim had hooguit een weekeindje in Cadzand en Knokke doorgebracht. Het was geen prototype van een gezinsmens. Hij had moeite zijn gevoelens te uiten. In het gezin liet hij de trekkersrol over aan zijn vrouw Rietje van wie hij veel afhankelijker was dan ie liet blijken. Wim was meer een buitenmens.
In zijn jeugd deed ie veel aan sport: zwemmen, zeilen,fietsen, hij was lid van de hockeyclub.
Iemand die geïnteresseerd was in alles wat in Den Bosch gebeurde. Zijn zakelijke ambities bleven beperkt tot schoenen verkopen, maar aan lastige klanten had ie een broertje dood. Gekleed in zin geruite colbertje met bruine broek en klassieke brooks. Daar stond hij dan in een karakteristieke houding in de halve deur van zijn winkel in de Kerkstraat 41, zo van [Lathouwers interpretatie]: ‘Heb het lef niet hier binnen te komen…’.
Als een lastig portret hem niet aanstond, en die om een bepaalde schoen vroeg, zei hij ronduit dat het model was uitverkocht….
Wim was nuchter, een realist, geen idealist, erg relativerend. Het was voor hem moeilijk zijn eigen gevoelens te uiten. Hij vermeed diepzinnige gesprekken. Om zijn gevoelens te leren kennen moet je maar naar zijn liedjes luisteren. Wim was, als gezelschapsman een andere Wim. Die momenten zocht hij met een glaasje brandewijn, soms een slachtoffer zoekend [bijvoorbeeld Rietje], met wie hij ruim 50 jaar heeft samen geleefd. Zij speelden in woorden met elkaar. Toen Rietje in 1999 overleed knapte er iets bij hem.
Wim leek er onverschillig onder te blijven, maar het zat dieper. Zijn afhankelijkheid van Rietje was veel groter dan ie zelf durfde inschatten. Vanaf 1999 heeft ie de piano nooit meer aangeraakt.
|